Het was druk bij de slager zaterdag. Vol met personeel achter de toonbank, vol met wachtenden ervoor. Wie waren er allemaal? Ik lette er niet op; vage silhouetten, slaperige blik, jassen, lang blond haar, handen in zakken, uitdrukkingloze wachtende gezichten. Ik sloot me er gelaten bij aan. Toen, ineens, zag ik haar.
Een forse dame, ze was net naar de kapper geweest, dat moest wel. Haar haar, dat ik van achteren zag, kort, donkerbruin geverfd met roodblonde highlights, vertoonde nog de sporen van een nauwkeurige krulborstel. De banen, de plukjes, licht van haar hoofd afstaand, alle in eenzelfde bolle curve geföhnd. Een verzameling plukken, duidelijk bij elkaar horend en toch geen eenheid. Er moest nodig doorheen gewreven worden, geknepen, op de kop, met twee handen, voor, achter, opzij, en dan weer een beetje op de plek geduwd. Als gehakt in een supermarktverpakking schreeuwde het erom, gekneed en beknepen te worden.
Ik stapte naar voren. Toen ik vlak achter haar stond nam ik haar hoofd tussen mijn handen. Ik liet mijn vingers in haar haar glijden, knappend door de lak heen, en dúwde, trók, kneedde, wreef, kneep, haar hoofd mee bewegend, heen en weer, tot het één was, een woeste massa, een bos, een ....
Ach nee. Ze zou met een hoge gil Oo! roepen, met grote ogen zou ze zich geschrokken omdraaien als ik haar eindelijk losliet. Met een vertrokken gezicht zou ze aan haar haar voelen. Ze zou het niet begrijpen, niemand zou het begrijpen. Alle silhouetten dezelfde grote ogen. Starende blikken, ingehouden adem, stilte. Geen andere weg dan terug. Ze zouden vertellen; heb je het al gehoord, zij, wat ze deed, bij de slager, zomaar! Zij! Het zou een mooie roddel zijn, met oohs en aahs en 't is niet wáár's. En de ander zou een anekdote weten, een voorval, dat bij nader inzien ook verdacht was, als je het goed bekeek kon je het van haar wel verwachten, ja, zo zie je maar weer, tsss, zij!
Nee. Mijn blik gleed omlaag. Ik wedde dat het prijsstickertje nog onder haar zwarte lakschoenen zat. Maar ze bleef maar bestellen. Onderwijl was ik aan de beurt en ik vergat het te controleren toen ze eindelijk ging. Jammer.
Pennen
Hoe zit dat met pennen, vraag ik me af. Waarom zijn er plekken waar ze zomaar verdwijnen, en waarom worden het er op andere plekken steeds meer? Ik begin er wel eens over, maar het duurt meestal niet zolang voordat mijn gesprekspartner schokschouderend een ander onderwerp aansnijdt. Laat het iedereen dan koud, dat er oncontroleerbare, mysterieuze dingen gebeuren in lades en pennenbakken?
We hebben een rommel-la in de keuken. Heel af en toe ruim ik ‘m op. Niet te vaak; dat is inherent aan een rommel-la. Na de laatste opruiming liet ik twee pennen in de la liggen; altijd handig. Ach, je weet hoe dat gaat: de la gaat open, de la gaat dicht, keer op keer. Maar wat er gebeurt in de duisternis van de gesloten la, daar heb je geen weet van. Op een dag viel het me op dat er aardig wat pennen in lagen. Heel aardig wat, bij nader inzien. Ik telde 18 pennen, 3 stiften en 9 potloden. Behalve de oorspronkelijke Garage Oene-pen en Kapsalon Twins-pen, had ik nu onder andere ook een pen van een makelaar, van een goed doel, van een christelijk doel (ook goed-), van een bouwkundig adviesbureau, van een glazenwasser, van de ING bank, van een verzekeraar, van een koplampenmerk, van Veilig Verkeer Nederland, een naamloze rode, roze en zwarte en een kapotte. De stiften en de potloden waren uit het niets verschenen. Een Hans Klok-erlebnis. Ik staarde ernaar en ik had géén idee hoe het gebeurd was.
Ik legde ze naast elkaar op het aanrecht. Hoe kwam die pen van de ING in mijn la? Ik kom nooit bij de ING. En die van een makelaar?? Ik heb niks met een makelaar. ‘Nou!'schreeuwde de pen van het goede doel, Unicef, ‘In Afrika zijn de kinderen al blij met één pen!' ‘Ja,'vervolgde de christelijke pen, -Nederlands Bijbel Genootschap, de hoogste instantie - , ‘weet je nog, als je er twee hebt, kun je er best eentje weggegeven, dus. ' ‘Dus!!' echode de Unicef-pen verontwaardigd. ‘Snap je nou hoe het zit, die crisis? Allemaal overconsumptie', bromde de ING-pen. ‘Kijk naar jezelf!' snauwde ik terug, want wat kon ik er nou aan doen. Het is een onbegrijpelijk fenomeen.
Ik ken ook een kantoor waar ze zomaar verdwijnen. Er zouden ruim voldoende pennen moeten zijn, maar ze zijn er niet. In borst-, binnen- en broekzakken nemen ze stilletjes de benen. Een enkele lamme of lege blijft liggen. Je wilt er iets opschrijven, je haalt ergens anders een pen vandaan en laat ‘m er liggen. Je komt later weer terug in het kantoortje en die pen is gewoon wég. Onbegrijpelijk. Waar gebeurd. Wat zou er achter zitten? Houdt iemand 't bij, hier plus, daar min? En klopt het totaal wel? Maar er is niemand die er écht over wil praten.
Gras
Sinds kort hebben we een grasveld. Je. Een grasveldje. Waar eerst een heleboel struiken stonden werd, na wat voeten in de aarde, een groen grastapijtje uitgerold. Na één week mocht ik gaan maaien. ‘Snoeien doet groeien' zei de man van het hoveniersbedrijf. Hij heeft een aardige maar ook ernstige uitstraling, die maakt dat ik alles geloof wat hij zegt.
Gras maaien is een nieuwe ervaring in mijn leven. Ik had een grasloze jeugd. We hadden thuis geen gras en ik kan me ook geen vriendinnetje herinneren dat gras had. We waren meer van het bomen-klimmen. Omdat ik me zou schamen voor elektrisch of motorisch geweld op een grasveld van deze omvang- aardappels schillen doe je toch ook niet met een motorzaag-, schafte ik een duwmaaiertje aan. Het is best moeilijk. Er zitten wat ronde zijden aan het grasveldje, en het heeft een L-vorm. Bovendien worden de banen die ik heb gemaaid helemaal niet zo recht als ik me had voorgesteld. Omdat ik drie keer in de week maai, groeit de ervaring snel en het gras ook. Ik leer mijn stukje gras steeds beter kennen en vind een route om alles onder de maaier te krijgen. De scheve banen blijven. Als ik begin, duw ik recht. Dan, om onverklaarbare reden, maakt ‘ie even een klein zwiepje. Aan het einde draai ik me om: scheef. Nog eens proberen, terug. Weer niet helemaal recht. En dan, als ik klaar ben en mijn werk aanschouw, zie ik hier en daar lange plukken. Ik voel me een slechtziende kapper die voor het eerst een bril opzet.
Ik raadpleeg een andere bezitter van een dergelijke duwmaaier. Moet ik raaaaang - in één streep achter de maaier aan lopen-, of rang rang rang - duwen, terughalen, duwen, terughalen-, vraag ik hem. Hij zegt dat ik rang rang rang moet doen. Dan zegt hij nog iets over vastlopen en terugslaan, maar dat begrijp ik niet. Ik laat het maar zo. Mijn schoonmoeder heeft ook veel verstand van grasmaaien. Ze zegt dat ik juist niet rang rang rang moet doen, want dan krijg je happen. Happen?
De methode die ik nu hanteer is eerst helemaal heen- (raaaang) en dan weer terugduwen (raaaang) over dezelfde baan. En dan vlak ernaast, half eroverheen, een volgende baan beginnen. De plukken worden minder zo, maar het duurt wel langer. Het is best fijn, grasmaaien. Vooral met veel wind. Het gras waait dan zo lekker omhoog tegen je benen, en het ruikt heerlijk.
Vanmiddag zag ik wat kale plekken in het gras. Ik realiseerde me met lichte tegenzin dat ik me moest gaan verdiepen in het onderhoud van dit grasmatje. Met andere ogen bekijk ik nu de keurige, door-en-door groene gazonnetjes met rechte banen die ik ineens overal zie. Wat knap. En wat een werk. Ik denk er nu over om zo'n T-shirt met ‘Respect!' erop te kopen. Tot voor kort had ik geen flauw benul waarom die in de handel zijn. Nu wel. Je begrijpt sommige dingen gewoon beter, als je gras hebt.
Spiegeltje
De poes is de volgende dag jarig. Ik versier haar mandje met een slinger, op aangeven van de kinderen. Die liggen al lang in bed; dat versieren kon natuurlijk niet 's middags, nee. ‘Dat hoort 's avonds mam!' Nouja, je hebt als moeder in ieder geval het gevoel dat je leuk meedoet. Ze informeerden voorzichtig of er eigenlijk ook gebak was, op een poezenverjaardag? We moeten er nog een beetje aan wennen.
Twee jaar geleden zat ze ineens voor onze tuindeuren, ergens in het voorjaar. Precies op het plekje waar we samen op uitkijken als we zitten te eten. Enorme ogen in een hongerig en schuw lijfje. Een wild scharminkel, waarschijnlijk ergens in een Oense hooiberg geboren en aan haar lot overgelaten. Onze oudste dochter , die verzot is op kleine poesjes, probeerde haar vanaf dag één te paaien. Ze legde brokjes neer en ging steeds een beetje dichter bij zitten als de poes ging eten. Zodra zij zich bewoog, schoot de kat weg. Op dag zeven kon ze haar aanraken. Het beestje had een stroeve, ruwe vacht en liet zich nauwelijks aanhalen. Op dag elf een klein aaitje. Maar dat er hier wat te eten was, die boodschap had ze wel begrepen. Ze woonde het hele voorjaar zo'n beetje in onze achtertuin. Om een lang verhaal korter te maken, u zag het al aankomen; tegen de tijd dat het winter werd, was ze bij ons ingetrokken.
Nu kunnen we haar niet meer wegdenken. Ze is enorm lief. Ze rent naar de bank als je er gaat zitten, zodat ze op je kan gaan liggen. Ze geeft kopjes, ze likt, ze snuffelt, ze claimt. Als ik achter de computer zit gaat ze het liefst op mijn armen liggen, zodat ik niet meer zie wat ik doe. Of ze loopt even behulpzaam over het toetsenbord. Ze is zachter dan een hoofd vol shampoo. Haar BMI is ook nogal gestegen. De buurvrouw vroeg laatst verbaasd: ‘is ze zwanger??' toen ze haar zag. ‘Neuh', zei ik, ‘we vinden haar heel erg lief.'
Op een dag, aan tafel, tijdens zomaar een gesprek, hebben we haar verjaardagsdatum bepaald en op de kalender geschreven. Toen het maart werd kwam met het omslaan van de kalender haar verjaardag in beeld. Nu staan een poezenkadootje en een klein lekker blikje voer klaar op het aanrecht, het mandje is versierd. Ineens komt er een spiegeltje voorbij. Pas nog las ik in de krant dat die arme olifant, die in Dierenpark Emmen in een droge gracht was gevallen, het niet overleefd had. ‘De dierenartsen zagen geen andere uitweg dan euthanasie te plegen' stond er. ‘Wat!' foeterde ik.' Euthanasie! Dat zég je toch niet, een dier wordt áfgemaakt, een dier gaat dóód. Ménsen sterven, en euthanasie is een ménsenwoord!' We grapten samen nog, ons afvragend of Annabel de olifant wel een handtekening had gezet van tevoren. Die avond sta ik bij het versierde mandje en het kadootje voor onze jarige poes. ‘Kijk nou es naar jezelf', zegt het spiegeltje...
Links en rechts
Het schijnt typisch vrouwelijk te zijn dat je na moet denken over links en rechts. En dan vervolgens ook nog vaak de verkeerde kant kiest. We gingen wandelen, mijn vriendin en ik. De route van de kilometerslange wandeling door het bos had ze uitgeprint. ‘Einde pad bij slagboom rechts', ‘afrastering aan linkerhand' en dergelijke ongeschikte aanwijzingen stonden er. Het was een mooie route. Het was ook mooi weer. Maar natuurlijk kwamen we uiteindelijke ergens anders uit dan de bedoeling was. Kwestie van links en rechts. De volgende keer nemen we gewoon het klompenpad hier in Oene. 10 Kilometer, met verlengings- en verkortingsmogelijkheid, mooie route, en een routebeschrijving met een kaartje, heb ik al gezien. Er wordt beweerd dat vrouwen niet kunnen kaartlezen, maar dat vind ik best meevallen. Kaartlezen gaat in ieder geval beter dan links en rechts.
Ik heb het altijd al lastig gevonden. Ik herinner me dat ik op de basisschool mijn linkerteen akelig openhaalde aan een losliggende stoeptegel. ‘Nu vergeet ik in ieder geval niet meer wat links is' dacht ik toen, want het deed nogal zeer. Maar nog, elke dag bij het dekken van de tafel, zweeft mijn hand met daarin de vork langer dan nodig boven het bord voordat ik weer weet wat links is. En als je eenmaal weet wat links is, weet je ook wat rechts is. Met het mes heb ik dus meestal geen problemen.
Toen ik bezig was met mijn motorrijbewijs werd ik ook geconfronteerd met deze onvolkomenheid. We lesten vaak met drie motoren, de volgauto er achteraan. Ik mocht één keer voorop. Door het oortje in mijn oor hoorde ik de aanwijzingen: ‘Hier naar links. Dat is réchts!! Ja, hier gaan we weer links..' enzovoort. Dankzij mijn falende links/rechtscoördinatie verkenden we woonwijken in Apeldoorn waar niemand het bestaan van vermoedde. Nooit meer vergeet ik het chagrijn in de stem van Joop Hagen toen hij in mijn oortje snauwde: ' Nummer één, ga jij maar naar positie drie!' Dat was gelijk de laatste keer voorop. Toen ik moest afrijden had ik een L en een R op de rug van mijn handschoenen geschreven. Op de goede, ja. Ik liet het controleren door een man.
Misschien is het erfelijk. Als ik zei ‘vóór je kijken!' wanneer ze erg begon te slingeren met fietsen, keek mijn jongste tot voor kort áchterom. Inmiddels weet ze het verschil tussen voor en achter, maar ik hou haar in de gaten.
Mijn vriendin deed er niet zo moeilijk over: ‘Het feit dat je dingen met minder interesse beleeft -want wat is nou links en wat nou rechts; de waarheid is glibberig..- is een bemoediging voor de ander. Het betekent niets voor je. Echt.' Ze heeft wel gelijk, als je er goed over nadenkt. De waarheid is glibberig. Want kijk nou eens achterom. Dan is alles wat eerst links was, rechts. En andersom ook. Dus. Wat betekent het nou helemaal?
Narigheid Ik voelde me beroerd. Het liefst wilde ik op de bank liggen en verdwijnen. Er niet meer zijn. Mijn kind was ook ziek. Moest ik me zelfs schuldig gaan voelen omdat ik haar niet voortdurend vertroetelde. Dat zei ze dus: wat ik nou voor moeder was. Wás ze een keertje ziek, ging ik zelf óók op de bank liggen. Zij had een longontsteking en was aan de antibiotica. Ik voelde een brandend gevoel van binnen als ik hoestte. Eigenlijk ook als ik niet hoestte. Als een slok whisky die niet weg wilde zakken.
Met spookwoorden met ‘long-‘ erin in mijn hoofd toog ik naar de zaterdagdokter in het ziekenhuis. Ik zat daar op de onderzoekstafel, zij beluisterde mijn borst. Onderwijl keek ik lusteloos over haar schouder. Ineens bewoog er iets naast de plint. Een dikke pissebed verscheen vanonder het hoekje van het zeil op de vloer. Het beest begon verdwaasd rond te lopen. Wat is het hier licht! Waar kwam ik ook alweer vandaan! Jeetje, waar zal ik nu eens naar toe gaan! Goh wat groot hier! Opgewonden, zig zag kris kras trippelde het ongediertje rond. Ze was klaar met het onderzoek. Ik had behoorlijk koorts en in mijn borst klonk het niet pluis; een luchtweginfectie. Gelukkig, ik ben echt ziek. Raar dat ik toch altijd een beetje bang ben dat ik me zit aan te stellen, zonder dat ik het in de gaten heb. -O sorry dokter, ik dacht dat ik écht ziek was-, dat idee. Ik trok m'n shirt weer aan terwijl zij zich omdraaide om een kuurtje voor me uit te schrijven. Zodra mijn hoofd boven mijn kraag uitstak zag ik dat de reis van de verdwaalde pissebed tot een onverbiddelijk eind gekomen was. Plat en nat lag ‘ie daar op het zeil te glimmen. Zou ze gehoopt hebben dat ik het niet zag?
Na doktersbezoek en antibioticakuur ging het na een poosje weer. Het hoesten kon wat langer duren had ze gezegd, de aardige dokter. Dat klopte. Wékenlange kriebelhoest. Ik nam een slok water en een Rennie. Dat hielp beter dan de officiële anti-kriebelhoesttabletjes. M'n buikspieren deden pijn van het hoesten, alsof ik ze vreselijk getraind had. Wanneer had ik dàt voor het laatst gedaan? Vaag herinner ik me iets met gepimpte dames, harde muziek en een hele grote spiegel. Gauw weer verder gaan met vergeten. O kriebelhoest. Wat verláng je dan naar een keiharde hoest, een klats in je borst en een klodder in je keel. Een beetje verwant aan een scheet; alleen in je eentje kun je er van genieten.
Op een dag viel het me op dat ik niet meer hoestte. Een poosje al niet meer, eigenlijk. Waarmee bewezen is dat de aanwezigheid van narigheid meer opvalt dan de afwezigheid ervan.
Woorden
Als klein kind moet je de betekenis van heel veel woorden leren. Dan vraag je bijvoorbeeld aan je moeder: ‘is dit blikvoer?' terwijl je met een stoffer en blik aan komt lopen. ‘Nee, dat is een stoffer en blik', zegt je moeder dan. Weer een woord geleerd. Of je vertelt op school, als je iets groter bent, dat je longen eruit gehaald moeten worden omdat je niet goed door je neus kunt ademen. Vervolgens moet je ook leren wat de waarde van een woord is. Dat je moeder schrikt als je op je zevende vertelt dat iets ‘best wel klote was' bijvoorbeeld. Die momenten worden spaarzamer, naarmate je ouder wordt en er minder woorden met geheimen voor je zijn. Als je in een dorp als Oene woont moet je bovendien nog leren welke woorden bij het dialect horen, en welke niet. Dat ‘dat bost niet aan' niet kan, maar dat je moet zeggen ‘dat schiet niet op'. Niet ‘speken' maar' spaken', niet ‘even onderhoren', maar ‘even navragen'.
Ook als volwassene kom je soms een moeilijk woord tegen. Interbellum bijvoorbeeld, of pernicieus. Daar heb je dan google of je woordenboek voor. Er zijn ook typische beroepswoorden. Laatst hoorde ik iemand zeggen, ergens bij de koffie: ‘Nouja, dan doe je maar gewoon twee keer een onderwasbeurtje, meer tijd is er niet'. Huh? dacht ik. Een onderwasbeurtje? Ze blijkt met oude mensen te werken. Die kunnen ze in de beschikbare tijd één keer per week onder de douche doen, en tussendoor wassen ze alleen de onderkant. Tegen luchtjes. En dan bedoel ik niet zweetvoeten. Voor wie er nog niet in zit: dit is ons voorland.
Er is ook een dienst in Nederland die het ‘fotokopieergedrag' van bedrijven controleert. Die sturen rekeningen voor geschat geschonden auteursrecht. En wat te denken van ‘daksingel', ‘klepstoter', ‘flexibiliseringsmarge'. Ik vind het altijd weer leuk om een woord met geheimen te vinden. Laatst zat ik aan tafel met iemand die een ‘plank' had gemaakt voor dat en dat. Ik zei maar niks. Bleek het een schema met een taakverdeling te zijn. Volgens Wikipedia is een plank nog steeds niets anders dan een ‘plat stuk gezaagd hout'. Sommige mensen zijn gewoon al iets verder.
Er zijn ook woorden waar geen discussie over mogelijk is. Grasopvangbak bijvoorbeeld. Keukentafel, aanwijsstok, verhuisdoos, fietsendrager, veiligheidsschoen. Ongecompliceerd, rechttoe rechtaan. Daar hou ik ook van.
Gedurende je leven bouw je je eigen woordenpakket op. De mensen om je heen maken vaak gebruik van min of meer datzelfde woordenpakket. Soms ontmoet je iemand uit een andere leefwereld. Die gebruikt dan een woordenpakket waar heel andere woorden in voorkomen. Zo hoorde ik iemand zeggen, bij iets wat heel grappig was: "buitengewoon geestig!" Ik schrik dan altijd een beetje. Het botst met mijn pakket. Zoiets laat ik even zakken. Als het lekker voelt, stop het erbij in mijn woordenpakket. Best kans dus, dat als je mij over een poosje een mop vertelt, ik uitroep: "buitengewoon geestig!!". 't Zou kunnen.
Vief verels
We hebben tegenwoordig verkeersdrempels in de weg naar Oene. De weg vanaf het kanaal is een week afgesloten geweest zodat je alleen over vief verels (spreek uit ‘vief veels') Oene in en uit kon komen. Ik heb vaak aan die uitdrukking gedacht als ik over 's Heren omwegen tufde die week. Een kopstuk van de dialectkring wist de schrijfwijze te achterhalen. Het is dialect voor ‘een grote omweg'. Een verel is een kwart (viertel) en vijf kwarten, nouja, dat is meer dan één. Voelt u ‘m?
Ach, verkeersdrempels. Je houdt er niet van, je accepteert ze. Wel goed voor de omzet van remmen, schokdempers en veren. Dat gun ik de jongens van Garage Oene dan ook wel weer. Er is ook een leuk filmpje van de Lotto, ‘weet waar u aan begint'. Komt een Lamborghini aanrijden, stopt voor een verkeersdrempel. Stapt een vrouw uit, type lange benen, hoge hakken, kijkt naar de bedenkelijk krappe ruimte tussen de voorbumper en de verkeersdrempel. Loopt weer naar de auto en haalt er twee enorme boodschappentassen uit waardoor je de voorbumper twee centimeter omhoog ziet komen. Zij loopt verder. Haar man rijdt de Lamborghini over de drempel, zij stapt weer in. Dus let op: wie een Lamborghini heeft, kan voortaan alleen over vief verels in Oene komen.
Niet dat het een straf was om om te rijden van Oene naar Epe. Het was de laatste vakantieweek, dus ik had de tijd. Via smalle wegen reed ik langs slaperige boerderijen, de luiken dicht tegen de hitte, langs velden met coniferen en dennenboompjes, de sproeiers vol aan. Weilanden met grazende schapen, koeien in de schaduw van een boom, boomgaarden vol appels en peren, kassen waar de aardbeienplanten uitgeput hun laatste vruchten afwierpen. Muren van maïs, en hier en daar een tafeltje met potjes jam of pompoenen te koop, parasol erboven. Af en toe kwam ik een auto tegen, onredelijk hard rijdend, alsof ‘ie het tijdverlies van de omweg goed wilde maken. Het stof waaide op als je beide uitweek in de berm. Het was gewoon weer even wennen aan al die mensen in Epe na zo'n landelijk ritje. De omweg naar Heerde is nog mooier. Die weg slingert door buurtschappen met weilanden en oude boerderijen met bloementuinen, tot je bij de Klementbrug in Heerde weer het kanaal kunt volgen. Oene ligt goed verborgen; als je deze routes volgt kun je haast niet geloven dat je naar een dorp rijdt met meer dan 1700 inwoners, 35 ondernemers en een voetbalclub met 700 leden.
Verkeersdrempels in Oene, dat wordt wennen. Ooit hebben er hier in een straat kleine snelheidsremmende bulten gelegen. Op een dag waren ze zomaar verdwenen. Er zijn hier natuurlijk ook relatief veel inwoners met een tractor met hefinrichting in hun bezit, dan krijg je dat. De verkeersdrempels zijn een maatje te groot om ongemerkt te laten verdwijnen. We zullen zien of ze een vooruitgang betekenen. ‘Vrogger zaten d'r gaten in de weg, noe he'j bulten' zei iemand. Dat belooft niet veel goeds.
In ze eige zju
Er wordt wat afgeschreven en -geleuterd over bewust eten. Ik eet soms bewust, soms niet. Je kunt niet overal bij stilstaan. Vlees is een dier dat ooit heeft rondgelopen -tenminste, de dieren in de vitrine van onze slager in Oene wel- en nu dood is. Een aardappel zat ooit in de vieze modder, samen met alle beestjes die in de grond leven. Yoghurt is afgeleid lichaamssap van een koe. Spinazie zijn blaadjes. Rijst is met een milieuvervuilend vliegtuig ingevlogen. Een ei had een kip kunnen zijn. Een appel is door heel veel handen vastgepakt geweest. En je kiezen malen elke kleurrijke hap met behulp van spuug tot een kleurloze brij. En die slik je door. Zo is het leven.
We waren ergens waar een vijf-gangen-weekmenu was. Met keuze uit drie verschillende hoofdgerechten. De arme ober deed zijn verhaal. Zeer geconcentreerd probeerde hij het te laten overkomen als een leuke anekdote. Na de voorgerechten, de hoofdgerechten. "Vervolgens, hertenrug in ze eige zju, geserveerd met een pompoenmousse..." Wég was ik met mijn gedachten. Zijn eigen jus. Dat deed me denken aan lichaamssappen. En dat woord deed me weer denken aan die onaantrekkelijke maar best aardige jongen, Rob Geus, die ik laatst in een paniekprogramma zag. Een paar meisjes hadden een kamer gehuurd in een hotel, en Rob vond ‘m vies. Om te bewijzen dat ‘ie gelijk had zette hij een soort blauwe lamp aan. Kon je alle schimmel zien en zo. Hij kwam weer uit de kamer en vertelde dat hij er ‘lichaamssappen' had aangetroffen. "Dat kan zweet zijn, bloed, speeksel of sperma..." Yék, zeiden de meisjes. Dat dacht ik ook.
Op het moment dat de ober de woorden "witte chocolade" uitsprak en daarna verwachtingsvol zweeg, was ik er weer bij. Ik had de andere hoofdgerechten gemist; dat krijg je ervan, als je verzonken raakt in je eigen jus. Wat nu. Het was gewoon te gênant om hem te vragen alles te herhalen, want hij was een hele tijd aan het woord geweest. Flink zette ik mij over mijn aversie tegen lichaamssappen heen en bestelde de hertenrug in ze eige zju. Ik heb die avond heel bewust gegeten.
Ik at ook wel eens bewust niet. We dronken sjieke koffie in het Kurhaus in Scheveningen. "Zo. Mooie hut", verwoordde mijn echtgenoot de aanblik van het hotel. In de serre keken we fantastisch uit over de zee. We bestelden cappuccino. De ober vertelde wat hij voor gebak in de vitrine had liggen. De man had een statige rug, een echte puntkakkineus en een beste aardappel in zijn keel. Behalve appeltaert was er ook kwarkbavarois. Waarbij hij zijn onderkaak minimaal bewoog: "kwàhkbahfwahwah". Ik was me zeer bewust van het feit dat ik dat niet kon herhalen zonder te lachen. Ik nam dus bewust niets.
Onbewust eten doe ik ook. Zo is nu het pak bokkenpootjes alweer leeg. Ik herhaal: zo is het leven.
Beleving
Bij Oene denk je aan het Koefeest op de derde donderdag in oktober. Aan weilanden, aan dialect. Dat klopt. Maar er is meer. Er is bijvoorbeeld een ondernemersvereniging met wel 35 leden. Vergelijk dat eens met andere dorpen van 1700 inwoners. De nijverheden variëren: van spirituele zaalverhuurder tot behoudende grutter. Van smid tot modern autobedrijf, van kledingwinkel tot bakker en van quiltmaker tot consultant. Er is een Kijktuin, een Aardbeientuin, en zoals het een klein dorp betaamt hebben de meeste huizen ook een keurige voortuin.
Er is in Oene een levendig verenigingsleven. De V.V. Oene is indrukwekkend met bijna 700 leden, een schitterend hoofdveld met tribune en een leger vrijwilligers. Van sommige verenigingen zijn er twee: zo hebben we hier twee vrouwenverenigingen. De één doet zo'n beetje hetzelfde als de ander, maar heeft bovendien af en toe een dominee of spreker van dien aard op bezoek. Ook hebben we twee Oranjeverenigingen. Ooit, kort na de oorlog, besloot een groep mensen dat de draaimolen, die op Koninginnedag opgesteld stond, geen pas gaf. Ze richtten een tweede Oranjevereniging op en legden in de statuten vast dat er van kermisactiviteiten geen sprake zou zijn op hún Koninginnedag. In 60 jaar koeken er natuurlijk enorm veel emoties aan, aan zo'n besluit. Het is dan ook niet zo eenvoudig om anno 2009 gewoonweg te zeggen; ‘Kom, laten we nu maar weer één Oranjevereniging maken die één groot programma aanbiedt.' We hebben dus op 30 april én rond 31 augustus Koninginnedag. Al heet die tweede Koninginnedag voor de duidelijkheid ‘Oranjefeest'. Op beide dagen zijn de kinderen van beide scholen -de christelijke en de openbare- uitgenodigd. Ze doen spelletjes of kijken naar een voorstelling, en hebben het leuk. Op één van die twee Koninginnedagen is er ook een draaimolen. We boffen maar, met twee Koninginneverjaardagen per jaar.
Midden in Oene staat al eeuwenlang de kerk, als het anker van het dorp. Prachtig robuust van buiten, van binnen tastbaar oud. Hoeveel ogen kleefden er door de jaren niet aan de fresco's, aan de plafondschilderingen, staarden door de boogramen? Hoeveel voeten sleten de plavuizen en hoeveel billen leden op de harde houten banken? Tegenover de kerk: het café. De veranda met de mooie houten bogen en de prachtige lampen nodigt. Knijp je ogen tot spleetjes, negeer de lantaarnpaal en je ziet oude tijden herleven, de paarden en de reizigers uitrusten. Van binnen een gezellig dorpscafé, van waaruit een Telegraaf-journalist tijdens de MKZ-crisis schreef dat hier de beste biefstuk van Nederland geserveerd werd. Waarvoor tot op vandaag dank.
Beide gebouwen zijn prachtig van uiterlijk. Over het innerlijk van kerk en café valt weinig te discussiëren. Dat is een kwestie van beléving. Die beleving van wat wel en niet kan of hoort loopt nogal eens uiteen hier in Oene. Wie dat kan accepteren, en er een beetje afstand van houdt, kan hier heel plezierig wonen.
Doe waar je goed in bent Laat ons dat verwoorden
Bel Ludwina Nijhof: 06 - 12 25 55 53
"Het is koek en ei tussen hen" Ze zijn zeer bevriend